Brede krachtige leeromgeving

Een krachtige leeromgeving is essentieel voor onderwijs. Vanuit de visie van de school geven wij dit ook voor BGV een betekenis:

  • Bij een beroepsopleiding staan    - naast    beroepskennis en - vaardigheden - ook andere   attitudes en sociale competenties centraal. Ook in evaluaties zien we dit terug.

  • We werken zo authentiek en functioneel mogelijk. Dat wil zeggen dat we werken met praktijk gerichte opdrachten in een context die de werkelijkheid zo goed mogelijk benadert. PLOV en stages bekrachtigen dat authentieke kader.

  • Wanneer vakkennis en praktijkopdrachten goed op elkaar zijn afgestemd,    helpt dat leerlingen de vakkennis te verwerken en kunnen andersom de praktijkopdrachten meer diepte geven.  De inhoud van het vak  (doelen) en de opdrachten zijn dus een wisselwerking.

  • De leraar is steeds beschikbaar om het proces van de leerling in goede banen te leiden en reflecteert samen met de leerlingen over de resultaten (zowel vakinhoudelijk als qua attitude en inzet).

  • Focus ook zelfregulerende vaardigheden neemt toe naarmate de leerling hoger komt in zijn traject. Dit houdt in dat de leraar de leerling helpt bij het ontwikkelen van discipline en motivatie.

In de lijst van universele noden kan je terugvinden wat dat betekent voor de leraar zelf, het schoolteam en de klasorganisatie. 

De items instructie, lesopbouw, opdrachten, feedback,... werken we specifiek uit voor de lessen Beroepsgerichte Vorming. Kijk hieronder naar de verschillende onderdelen.​

 
12622249_820462714767052_456634095274602

Opbouw van een praktijkles

Oriëntatie

Instructie

Begeleid

oefenen

Zelfstandig 

verwerken

Feedback

 

Oriëntatiefase

In deze fase willen we leerlingen voorbereiden op de nieuwe kennis, technieken of vaardigheden die zij gaan leren. We willen het belang van de les duidelijk maken en de les in het grotere geheel van de opleiding plaatsen. Leerlingen die horen waarom de opdrachten belangrijk zijn, en uiteengezet krijgen wat de relevantie van de opdracht is, zien de noodzaak van de opdracht in. Dit kan motiveren.

 

Activeren van de voorkennis

 

  • Koppel deze les aan eerder opgedane kennis en vaardigheden.

    • Vb. bij een les rond de snijtechniek 'brunoise' bespreek je kort wat de leerlingen reeds leerden over het hanteren van het chefmes en de snijtechniek 'julienne'.

    • Vb. bij een les rond het werken met de haagschaar kan je terugkomen op de afspraken rond veiligheid die er eerder gemakt zijn tijdens de les over de grasmachine.

 

Motiveren van de leerlingen

 

  • Bespreek het doel van de les.

    • Bij deze les, in dit project,… ga je leren om… 

    • Na deze les, dit project,… zal je kunnen …..

  • Plaats de les in het geheel van de opleiding en leg de link naar arbeidssituaties.

    • Het is belangrijk om een brunoise te kunnen snijden zodat je in de grootkeuken een groentesoep kan maken.

 

Structureer de les, maak het lesverloop voorspelbaar

 

  • Verduidelijk hoe de les gaat verlopen.

    • Demonstratie   

    • Inoefenen onder begeleiding    

      • Toon het materiaal

    • Zelfstandig een werkstuk/project/recept maken

      • Toon een model, foto, filmpje, … van het afgewerkte product

  • Maak/ herhaal afspraken over het lesverloop of veiligheidsafspraken.

 

 

Mogelijke werkvormen om voorkennis te activeren

  • Memospel rond de reeds gekende technieken/begrippen. 

  • Kahoot met vragen over de reeds gekende technieken/begrippen. 

  • Een foto of afbeelding tonen die verband houd met de voorkennis, leerlingen laten verwoorden wat ze over deze foto kunnen vertellen.

  • Een eerder gemaakt werkstuk, plantje, recept tonen en dit laten bespreken in groepjes.

 

Werkvormen om de leerlingen te motiveren

  • Plan een bedrijfsbezoek om de te verwerven kennis en vaardigheden in een reële arbeidssituatie te observeren.

  • Toon een filmpje over de toepassing van de techniek/vaardigheid in een reële arbeidssituatie.

  • Schets een probleem waar de leerlingen over moeten nadenken en stel gerichte vragen zodat de leerlingen er toe komen dat de lesinhoud ook de oplossing voor het probleem is.

    • Vb. Een bedrijf verpakt machinaal snoepjes, nu wil het bedrijf een speelgoedje in elke verpakking steken als reclame. De machine kan dit niet. Hoe kunnen we dit oplossen?

      • We kunnen de verpakking openen, het speelgoedje in de verpakking stoppen en de verpakking opnieuw sluiten. 

      • Hiervoor moeten de leerlingen OV2 leren om de verpakking correct te openen en te sluiten, dat zijn de doelen van deze les.

 

Instructiefase

Het doel van de instructiefase is de leerlingen voor te bereiden zodat zijn in staat zijn om een opdracht uit te voeren. Instructies zijn kort en leiden tot resultaten.

Effectieve instructies leveren tijdswinst op voor de oefenfase en de verwerkingsfase. Leerlingen worden beter voorbereid en stellen minder verhelderende vragen over de opdrachten. Het zelfsturende vermogen neemt toe als leerlingen eisen kunnen verwoorden en verwachtingen omzetten in handelen.

 

Instructieve lesonderdelen verlopen zinvol als:

 

  • Leerlingen relevante informatie krijgen.

  • Aan de instructies opdrachten gekoppeld zijn.

  • Instructie leidt tot handelingsbeelden.

  • Leerlingen in staat zijn de opdracht persoonlijk te verwoorden of te demonstreren.

 

Voorwaarden voor een goede instructiefase

 

  • Je houdt steeds het doel van de les voor ogen.

  • De instructiefase verloopt gestructureerd.

    • Leerlingen kunnen jou allemaal zien.

    • Leerlingen staan naast/zitten naast elkaar op voldoende afstand van elkaar.

    • Prikkels worden weg genomen (computer, GSM, radio,…).

    • Vraag de leerlingen om hun aandacht.

    • Geef aan hoe lang het instructiemoment zal duren en waarom het belangrijk is.

    • Maak duidelijk hoeveel punten je aan bod wil laten komen.

  • De instructie is kort en duidelijk.

    • Wijd    niet uit over het onderwerp.

    • Geef enkel de instructie die nodig is om het lesdoel te bereiken.

    • Gebruik heldere taal, vermijd beeldspraak.

  • De taakaanpak stap voor stap verheldert.

    • Geef de instructie stap voor stap.

      • Geef de instructie voor stap 1 en laat stap 1 inoefenen, geef daarna de instructie voor stap 2 en laat stap 2 inoefenen.

  • Begrippen worden verhelderd.

    • Leg moeilijke woorden en begrippen uit.

    • Voorzie concreet materiaal, foto, video om moeilijke woorden of begrippen uit te leggen.

    • Vraag aan de leerkrachten GASV om deze woorden of begrippen uit te leggen tijdens de GASV-lessen (pre-teaching).

    • Ga na of de leerlingen de moeilijke woorden en begrippen daadwerkelijk begrepen hebben

      • Vraag aan de leerling om in eigen woorden te herhalen/samen te vatten.

      • Gebruik een memo-spel om moeilijke woorden/begrippen in te oefenen.

      • Gebruik een vaktaalwoordenboek.

  • De leerlingen zijn actief betrokken bij de instructie.

    • Gebruik actieve werkvormen.

    • Wissel af tussen werkvormen.

    • Stel vragen om de betrokkenheid te vergroten.

  • Er is een (blijvende) visuele ondersteuning van de instructie.

    • Vb. Bij een les rond soorten plaatmateriaal bij de lessen hout kan je een didactisch paneel maken met strookjes plaatmateriaal en de juiste benaming daarbij. Dit paneel kan een vaste plaats krijgen in de klas zodat leerlingen daarnaar terug kunnen grijpen.

  • De instructie is zeer concreet gemaakt.

  • De instructie is gericht op het toepassen in de praktijk.

  • Voorzie concreet didactisch materiaal, bij voorkeur hetzelfde materiaal waarmee de leerlingen werken.

  • De instructie is verlengd voor die leerlingen die daar nood aan hebben.

    • Je gaat als leerkracht voor individuele leerlingen of een groep leerlingen die daar nood aan hebben, de instructie herhalen.

    • Je demonstreert elke stap opnieuw voor deze leerling(en).

Werkvormen voor instructie

 

  • Demonstratie

  • Filmpje

  • Brainstorming

  • Peer-tutoring

  • Check in duo’s

  • Bekend-benieuwd-bewaard

  • Denken-delen-uitwisselen

  • Memory-spel

  • Probleemgestuurd leren

  • Casestudy

  • ...

 

Begeleide oefenfase

Het doel van de oefenfase is de leerlingen op hun eigen tempo een vaardigheid eigen te laten maken.

De leerlingen oefenen een afgebakende vaardigheid in binnen een “veilige” context. Leerlingen hebben de mogelijkheid om vragen te stellen, bijgestuurd te worden in hun handelen, fouten te maken,….

 

Voorwaarden voor een goede begeleide oefenfase

 

  • Stel als leerkracht veel vragen.​

  • Laat leerlingen de instructie herhalen en verwoorden.

  • Zorg voor een stapsgewijze toename van de moeilijkheidsgraad.

  • Verminder de ondersteuning geleidelijk.

  • Zorg voor visuele ondersteuning.

    • Maak gebruik van stappenplannen en/of instructievideo’s voor het uitvoeren van een techniek. 

  • Beperk de duur van het oefenen in de tijd.

    • Leerlingen hebben, zeker in de opleidingsfase, nog niet de taakspanning om enkele lesuren na elkaar dezelfde techniek in te oefenen. Voorzie variatie tussen het inoefenen van een nieuwe techniek en het herhalen van een gekende techniek in een werkstuk (snel resultaat).

      • Vb. lesuur 1= instructie en inoefenen nieuwe techniek

      • lesuur 2+3= herhalen gekende techniek in een werkstuk

      • lesuur 4= Inoefenen nieuwe techniek en laatste 15” van de les= herhalen/samenvatten van de instructie (Wat weet jij nog over…).

  • Zorg voor goede en zinvolle oefenmaterialen.

    • Vb. Als we leerlingen in het houtatelier willen leren om een maat af te tekenen op een houten werkstuk, oefenen we dat in met hout en niet op papier.

Zelfstandige verwerkingsfase

 

In deze fase gaan de leerlingen met de ingeoefende technieken op een meer zelfstandige manier aan de slag in een werkstuk, project, recept of realistische opdracht. 

Het niveau van de opdracht is voor elke leerling zo gekozen dat de leerlingen op een vrij zelfstandige wijze aan de slag kunnen, als leerkracht stel je veel vragen aan de leerlingen.

 

Voorwaarden voor een goede zelfstandige verwerkingsfase

 

  • Vertrek voor de opdrachten steeds vanuit het opleidingsprofiel of de ontwikkelingsdoelen.

    • Focus op het gebruik van relevante technieken.

    • Als je voor een opdracht met een mooi resultaat, technieken moet uitvoeren die niet tot het opleidingsprofiel of de ontwikkelingsdoelen behoren is het geen goede opdracht.

  • Zorg voor opdrachten op het juiste niveau, dat kan verschillen per leerling. 

    • Vb. Leerling 1-2 kunnen onmiddellijk aan de slag gaan met een stappenplan, opdrachtfiche, projectbundel,… terwijl leerlingen 3-4 er nood aan hebben om de stappen samen met hen te overlopen. Voor leerling 5 voorzie je materiaal dat je als leerkracht al zelf afgetekend hebt, of voorzie je al gesneden groenten voor het recept,…

  • De opdrachten sluiten aan bij de leefwereld van de jongeren en hebben een duidelijke link naar de latere tewerkstelling.

  • Wissel oefeningen die net op het niveau liggen (succeservaring) af met oefeningen die net boven het niveau liggen (uitdaging).

  • Zorg ervoor dat de leerling voldoende snel resultaat heeft van zijn werk. 

  • Maak bij het begin van de opdracht duidelijk hoe je zal evalueren, welke criteria gebruik je om te evalueren, zowel in vaardigheden als in attitudes.

  • Voorzie goed ondersteunend materiaal (cursus, projectbundel, vakwoordenboek, uitvoeringsplan, opdrachtfiche, instructievideo…)

    • Zorg ervoor dat dit materiaal gericht is op het uitvoeren van de taak.

      • Geen overbodige informatie

        • Vb. Een leerling gaat een haag snoeien, in de projectbundel, opdrachtfiche,… staat niet welke varianten van deze haag er bestaan, uit welk land deze plant komt, de Latijnse naam,… 

    • Het materiaal is sober, overzichtelijk en heeft een vaste structuur.

      • Gebruik geen opmaak met allerhande afbeeldingen.

      • Gebruik een goed leesbaar en voldoende groot lettertype.

      • Laat voldoende witruimte.

Feedbackfase

 

Tijdens de feedbackfase    gaan we na in hoeverre de leerlingen, de verwachtingen van de leerkracht heeft kunnen invullen. In hoeverre zijn de beoogde doelen bereikt? Wat liep er goed en waar kan de leerling nog in groeien? Je evalueert tussentijds en op het einde van les, je geeft heldere feedback en formuleert groeikansen voor de leerling.

 

Voorwaarden voor een goede evaluatiefase

 

  • Voorzie in je lessen structureel (voldoende) ruimte voor feedback.

    • Neem de tijd om samen met de leerling de vorderingen te bespreken.

    • Stel gericht vragen om te achterhalen waarmee de leerling moeite had, of om te achterhalen wat voor de leerling zou kunnen helpen om te groeien.

    • Geef de leerling inspraak in het formuleren van groeikansen.

  • Evalueer het doel van de les.

    • Vb. Het lesdoel is het snijden van groenten. In de activiteit gaan de leerlingen de groenten eerst wassen, daarna snijden en als laatste ook verpakken. In de feedback focus leg je op het lesdoel: het snijden van de groenten. Het verpakken van groenten is een lesdoel in één van de volgende lessen dus hierop ga je op dat moment gericht feedback geven.

  • Maak een evaluatie aan de hand van de criteria die je vooropstelde.

  • Evalueer ook de attitudes van de leerling.

  • Geef consequent feedback.

  • Geef feedback die inzet/ inspanningen beloont.

  • Benadruk succeservaringen.

  • Maak je feedback/feedforward visueel.

    • Schrijf de groeikansen van een leerling neer en geef deze aan de leerling mee.