ODD/CD

ODD staat voor   Oppositional   Defiant Disorder of  Oppositioneel Opstandige Stoornis.

CD staat voor  Conduct Disorder of  Anti-Sociale gedragsstoornis.

Deze stoornissen vallen onder de disruptieve,  impulsbeheersings- en gedragsstoornissen. Dit is de verzamelnaam bij stoornissen waarbij duidelijk zichtbaar gedrag het belangrijkste kenmerk is.

Kenmerken van ODD/CD

  • Kinderen met  ODD/ CD  vertonen  een aantal kenmerken die  voor de omgeving zeer lastig zijn.

  • Voor  deze kinderen  zelf uiteraard ook, want  ze komen  keer op keer in moeilijkheden door dit gedrag.

  • Kinderen met ODD zien de omgeving vaak als potentieel vijandig. 

  • Omdat ze hun eigen aandeel in de vijandige reacties niet zien, worden ze hierin ook voortdurend bevestigd.

  • Hoewel veel ongehoorzaam gedrag vooral tegen volwassen (de gezagsdragers) is gericht, komen ze ook vaak in conflict met leeftijdgenoten, omdat ze graag de dingen willen laten gebeuren zoals zij dat in gedachten hebben.

Wat zie je bij ODD?

Dwars en uitdagend gedrag

  • Vindt het moeilijk te gehoorzamen en doet “lekker niet” wat volwassenen hem vragen.

  • Maakt ruzie met volwassenen en gaat daarmee ook steevast in discussie.

  • Heeft de neiging anderen te plagen of expres te ergeren.

  • Geeft anderen de schuld van zijn eigen fouten.

  • Gedragen zich vaker zo tegen volwassenen.

  • Doet vervelende dingen vaak om “iemand terug te pakken".

Emotionele symptomen

  • Is snel boos en gefrustreerd.

  • Is prikkelbaar en ergert zich snel aan anderen.

  • Is erg driftig

Sociale symptomen

  • Zich zo gedragen ook zonder sociale druk van de groep.

  • Tijdens de puberteit nog eens dubbel kan gaan dwarsliggen (“gewone pubers”  hebben daar  soms  ook last van, dubbel dus voor een jongere met ODD).

  • Zeggen  waar het  volgens hem/haar op staat en dit niet altijd even diplomatiek doen. Dat komt door het gebrek aan sociale omgangsvormen en inflexibiliteit.

Mogelijke noden en behoeften van een jongere met ODD

De leerling heeft nood aan een leerkracht die: 

  • neutraal-vriendelijk reageert.

  • een relatie opbouwt en verbinding  zoekt, hoe moeilijk ook.

  • een plan opstelt samen met de jongere.

  • met hem/haar praten over de interesses (sport, voertuigen,...).

  • complimenten geeft wanneer de jongere iets goed doet (ook al is het iets kleins).

  • gedrag concreet benoemt.

  • grenzen oplegt  en consequent is.

  • grenzen oplegt die wel lukken om succeservaringen op te  doen.

  • pro-actief   ingrijpt bij probleemsituaties als je die kan voorspellen (bijvoorbeeld door de gezichtsuitdrukking).

  • een machtsstrijd en discussie vermijdt.

  • benoemt wanneer er verbeteringen in gedrag te zien zijn.

  • humor gebruikt.

  • hem/haar laat uitblinken met iets anders (een sport of iets creatiefs).

  • verveel-momenten vermijdt en invult.

De leerling heeft nood aan een schoolteam   dat:

  • vaste time-out  afspraken hanteert wanneer de jongere over de schreef gaat.

  • niet te veel regels hanteert.

  • maatregelen neemt direct op het ongewenst gedrag.

  • gericht is op herstel wanneer het fout gaat.

  • praat met hem/haar, en niet enkel over hem/haar.

  • regelmatig afstemt met ouders (deze jongeren  zullen het thuis op een bepaalde manier vertellen waaruit zij voordeel halen).

  • zorgt voor een positief klimaat,  waarbij de verantwoording  voor het kind met ODD óók  bij de rest van de groep ligt. Zij kunnen hem uitlokken, maar ze kunnen hem ook helpen. Die keuze kun je  de klas  uitleggen.

De leerling heeft nood aan instructie die:

  • de nadruk legt op waarom iets belangrijk is en met welk doel.

  • niet in vraagvorm wordt gegeven.

  • weergeeft wanneer je iets verwacht (bijvoorbeeld NU).

De leerling heeft nood aan opdrachten die:

  • kort maar uitdagend zijn.

  • gestructureerd zijn (doel, materiaal, tijd)

  • hem/haar verantwoordelijkheid geeft (hier zijn ze vaak gevoelig voor).

Nog enkele belangrijke tips:

  • Zie de drift van de jongere    als een gebrek aan verbale mogelijkheden. Help hem ook  te vertéllen wat er aan de hand is.

  • Ga niet in discussie. Vertel op zakelijke toon wat er niet goed is en benoem alternatieven.

  • Word vooral zelf niet emotioneel, want daarmee toon je juist de zwakke plek waarnaar kinderen met ODD naar op zoek zijn. Afreageren mag dus pas als het kind uit zicht is.

  • Gebruik geen sarcasme, cynisme, enz. om de jongere belachelijk te maken.

  • Als de jongere boos is of iets verkeerds heeft gedaan, praat dan niet de hele tijd door tegen de jongere. Dit versterkt de boosheid. Ook als je alleen maar wilt helpen, werkt dit op zo’n moment averechts.

  • Als de jongere (weer)  iets verkeerds heeft gedaan, is de neiging om oude koeien uit de sloot te halen waarschijnlijk groot. Dit werkt absoluut averechts. Beperk je tot het hier en nu.

  • Als de jongere    boos of gespannen is, raak het dan niet aan. Een goed bedoelde arm om hem heen of een aai over de bol zal leiden tot  de explosie die je wilde vermijden.