Dyspraxie/DCD

DCD (Developmental Coördination Disorder) of coördinatie-ontwikkelingsstoornis werd vroeger (ontwikkelings)dyspraxie genoemd.

Dyspraxie is een stoornis bij het correct verwerken van informatie. Dit leidt  tot moeilijkheden bij de motoriek en motorische vaardigheden.

Kenmerken van dyspraxie

Het uitvoeren van een taak waarvoor oefening nodig is of acties die niet in de hersens zijn geprogrammeerd, verlopen moeilijk. Wandelen is een voorbeeld    van een geprogrammeerde actie. Het schillen van een sinaasappel, het aantrekken van een jas en het papiertje van een snoepje halen zijn dat niet.

  • Kinderen die DCD hebben, hebben dus   moeite met het aanleren en uitvoeren  van motorische taken, zoals zich aan- en  uitkleden, fietsen, zwemmen, tekenen, knippen en schrijven.

  • Activiteiten die door anderen vanzelfsprekend en zonder nadenken uitgevoerd kunnen worden, vergen    voor    kinderen met DCD veel van  grote (geestelijke) inspanning.

  • Sommige  kinderen hebben alleen moeite met schrijven en een gedeelte van de grove motoriek.

  • Anderen hebben moeite met organiseren van taken, hun tafel en kastje netjes houden, hun agenda goed invullen of met hun spraak, enz.

  • Vaak is er echter sprake van een combinatie van problemen.

Wat loopt er precies moeilijk?

Aandacht en concentratie
▢ Verhoogde afleidbaarheid
Oriëntatie in tijd en ruimte
▢ Moeilijk klok lezen
▢ Zwak gevoel voor tijd en ordening in tijd
▢ Weg vinden, begrippen links, rechts, voor, na, boven, onder zijn moeilijk

Visueel ruimtelijke vaardigheden 
▢ Moeite met constructies
▢ Zwak in ‘driedimensionaal’ voorstellen

Orde en structuur
▢ Moeilijkheden om taken te plannen
▢ Agenda onvolledig ingevuld

Geheugen
▢ Problemen met onthouden van losse, op zichzelf staande gegevens
▢ Problemen met complexe opdrachten
▢ Afspraken en spullen vergeten

Spreken
▢ Soms problemen met articulatie, bepaalde lettervolgorde en vloeiendheid bij het spreken 
Sociale vaardigheden
▢ Soms onvolwassen gedrag en overdreven emoties
▢ Gedragsproblemen

Een kind met DCD doet globaal gezien 66% van het werk in de tijd waarin de andere kinderen alles hebben gemaakt.

Mogelijke noden en behoeften van een jongere met dyspraxie/DCD

De leerling heeft nood aan een leerkracht die: 

  • geen nadruk legt op het  motorisch falen.

  • complimenten geeft over wat wel goed lukt.

  • de leerling hulp leert vragen.

  • hem/haar niet alles laat opschrijven.

  • kruisjes zet waar ze moeten beginnen schrijven als ze wel moeten noteren.

  • de volgorde van werken visueel maakt.

  • zorgt voor een vaste routine.

  • hulpmiddelen aanreikt om tijd te winnen, zodat de leerling minder tijd verliest (rekenmachine, laptop, een extra fotokopie,  stappenplannen,...).

  • in de gaten houdt of de leerling tijdens het werken op het goede spoor blijft   (want ze kunnen afdwalen omdat ze niet kunnen ordenen).

  • rekening houdt met het feit dat hij/zij gemakkelijk iets vergeet (bijvoorbeeld materiaal).

De leerling heeft nood aan instructie die:

  • opgedeeld wordt in stapjes.

  • volgens een vaste stramien wordt aangeboden.

  • herhaald wordt (zo wordt het geheugen gestimuleerd)

  • de taakaanpak verduidelijkt    (en dus al oplossingsstrategieën aanbiedt).

De leerling heeft  nood aan opdrachten die:

  • aangeboden worden met een stappenplan.

  • in tijd zijn afgebakend (visualiseren tijd).

  • aansluiten bij de mogelijkheden (andere opdrachten kunnen gedispenseerd en/of vervangen worden.)

  • op werkbladen staan met een duidelijke, overzichtelijke lay-out.

De leerling heeft nood aan  een klasorganisatie met:

  • ruimte voor extra tijd.

  • routines en structuur.

  • hulpmiddelen, zoals onthoudkaartjes en stappenplannen.

De leerling heeft nood aan  feedback die:

  • de inspanning benadrukt.

  • niet te kritisch is wanneer de leerling   moest schrijven of tekenen.

Highlights

  • Geef duidelijke en korte instructies.

  • Zorg voor afbakening in tijd en ruimte tijdens het werken.

  • Zorg voor korte en  uitdagende activiteiten.

  • Kom tegemoet aan de bewegingsdrang van de leerling.

  • Help herinneren aan het meebrengen van materiaal  of het afwerken van een taak.

  • Stimuleer. gewenst gedrag met beloningen.

  • Begrens onacceptabel gedrag .