De klas inrichten en aankleden

De leraar is verantwoordelijk voor een ruimtelijke organisatie die leren en (samen)werken mogelijk maakt. De leraar creëert een stimulerende leeromgeving en een ruimte waar verschillende werkvormen mogelijk zijn. De veiligheid is gewaarborgd.

  • Houdt de leraar in de klasinrichting rekening met de principes van een krachtige leeromgeving?

  • Komt de indeling en de inrichting van de klas/leeromgeving overeen met de schoolvisie op leren en de eventuele afspraken die binnen het team/de vakgroep over klasschikking, klasaankleding, enz. zijn gemaakt?
    Voorbeelden:

  • De focus ligt in de school op creativiteit. In de klas wakkert de sfeer, de klasopstelling en het beschikbare materiaal de creativiteit van leerlingen aan.

  • De school profileert zich als een ondernemende school. Laat de leeromgeving toe om zelfstandig te werken? Krijgen de leerlingen de kans om in echte of gesimuleerde ondernemingscontexten te werken?

  • Is de klasopstelling toereikend tot het realiseren van de doelstellingen?

  • Laat de ruimte zelfstandig werken toe?

  • Laat de ruimte in groep werken toe?

  • Laat de ruimte het toe om het betreffende vak optimaal aan te bieden?

  • Zijn de gebruikte middelen verzorgd (leesbaar, in goede staat, duidelijk, goed opgesteld ...) en zijn ze functioneel bedoeld (met andere woorden een echt hulpmiddel voor de leerlingen in functie van leren)?

  • Heeft de leraar aandacht voor veiligheidsaspecten in de klas?

  • Is de ICT infrastructuur adequaat?

  • Is de organisatie van ICT gerelateerde activiteiten adequaat?